Nummer 247
Morgen trek ik een broek aan, de tijd van rokjes is voorbij. De schaduwen worden langer, de avonden kouder. Ik schuif mijn billen over de stenen trede in een poging comfortabel te zitten. Het is een van mijn favoriete plekjes. Er komen veel mensen langs, de eeuwenoude trap verbindt de Grote Markt met het Kerkplein. Mijn rug doet zeer en mijn hoofd begint te bonken. Vandaag lukt het niet, ondanks de drukte in de stad. Achter me hoor ik het getik van hakken. De adrenaline die door mijn lijf schiet, zorgt ervoor dat ik plotseling alert ben. Drie dames, blonde haren los over hun schouders gedrapeerd, passeren me.
‘Hoi.’ Ik doe mijn linkerhand omhoog. Ze lijken me niet te horen. Ik laat mijn hand weer zakken. Mijn schouders zakken mee. Gisteren kon ik een nieuwe naam in het boekje zetten. Eergisteren zelfs drie. Vandaag nog geen. Ik geef het op, pak mijn tas, doe mijn flesje water erin en wil opstaan.
Ik kijk het plein nog een laatste keer rond. Mijn blik blijft rusten op een dame die een ijsje staat te eten. Die heeft ze vast bij Joe’s gekocht, de ijssalon even verderop. Ze heeft een witte blouse aan. Mijn vingers tintelen. Ik denk aan gisteren. Zij had ook een witte blouse. Het kleurde zo prachtig bij al het rode … Snel schud ik de herinnering van me af. Bij de les blijven nu.
Ik duw mezelf met een hand omhoog. Mijn spieren voelen stijf. Even rek ik me uit, dan laat ik me vallen, alsof ik een trede mis. Ik stoot de vrouw aan, terwijl ik mijn evenwicht hervind. ‘Sorry, sorry, ik struikelde.’
‘Geeft niks, het gaat goed.’ Ze kijkt naar de grond, ik volg haar blik. ‘Al ligt mijn ijsje nu daar.’
‘O, wat stom van me. Het spijt me.’ Ik sla een hand voor mijn mond.
‘Ach, het is maar een ijsje.’ Ze veegt haar handen af aan een zakdoek.
‘Ik betaal een nieuwe voor u.’ Zou het dan toch?
‘Zeg maar jij. En nee joh, dat hoeft niet.’
‘Jawel. Dat wil ik graag.’
‘Ach, dat is toch niet nodig?’ Ik hoor de aarzeling in haar stem.
‘Ik heb zelf ook wel zin in een ijsje.’ Ik zet mijn meest onschuldige gezicht op.
De vrouw haalt haar schouders op. ‘In dat geval...’ Haar lach ontbloot haar prachtige tanden.
‘Heb je vroeger een beugel gehad?’
Ze kijkt me verrast aan. ‘Nou, eigenlijk heb ik nu een beugel. Alleen kun je hem niet zien. Hij zit aan de binnenkant van mijn tanden. Ze opent haar mond een beetje en tikt met haar nagel tegen de achterkant van haar voortanden.
Ik buig me naar haar toe, maar zie niets. ‘O, kan dat?’ Ik denk aan mijn eigen tanden die schots en scheef staan.
We lopen in de richting van de ijssalon, een paar panden verderop.
‘Ja, dat kan. Het is alleen wel heel duur.’
‘O.’ Hoewel het september is, staat er een flinke rij voor de salon. ‘Is er vanavond iets bijzonders in de stad? Het is zo druk.’
‘Ja, dat is vanwege de restaurantweek. Met alle proeverijtjes, weet je wel? Het is de eerste avond, ik denk dat dit veel mensen trekt.’
‘O, natuurlijk. Duurt dat de hele week?’ Een kriebel schiet door mijn buik, ik houd mijn adem vast. Ik verheug me op alle mogelijkheden die dat geeft.
De vrouw knikt en wrijft met een hand over haar borst. ‘Ik ging er elk jaar heen, samen met mijn man. Ik wilde de traditie voortzetten, maar alleen is er eigenlijk niet zo veel aan.’ Haar lippen trillen, ze drukt ze stijf op elkaar.
Ik maak een huppeltje, kijk haar met mijn grootste lach aan en zeg: ‘Ik wil wel mee.’
Ze kijkt me onderzoekend aan. Dan schudt ze haar hoofd. ‘Alleen een ijsje nog. De rest heb ik al gehad.’
‘O, oké.’ We sluiten aan in de rij. ‘Ik ben nooit alleen.’
‘Nee?’
‘Ik heb heel veel vrienden.’ Ik steek mijn kin in de lucht en klem mijn tas tegen me aan.
‘Wat fijn voor je.’ Ze zet een stapje opzij, ze botst bijna tegen een prullenbak.
Ik ga wat dichter naast haar staan en snuif haar lichte zweetgeur op. Mijn hart bonst, mijn ademhaling versnelt. Om mezelf te kalmeren haal ik diep adem en blaas langzaam uit. ‘Welke smaak ijs had je? Ik vind bubbelgum het lekkerst hier.’
‘O.’ De rimpeltjes om haar ogen worden dieper. ‘Ik had citroen.’ Ze kijkt op haar horloge en schraapt haar keel.
Ik friemel met mijn nagel aan een randje van mijn tas. Er zijn wel vijf meiden achter de toonbank aan het werk. Daardoor zijn we veel te snel aan de beurt.
‘Voor deze dame graag een bolletje citroen en voor mij… laat ik maar eens chocolade doen. Of nee, doe toch maar amarenen. Of … Het meisje achter de toonbank kijkt me ongeduldig aan, de vrouw naast me staat te wiebelen op haar voeten. Toch laat ik nogmaals mijn ogen over alle bakken ijs glijden, alsof ik geen keuze kan maken ‘Ehh … doe toch maar weer bubblegum.’ Het meisje geeft ons de ijsjes aan en ik reken af.
Dan lopen we naar buiten. Ik kan de vrouw nauwelijks bijhouden.
‘Nou, dank je wel,’ zegt ze. ‘Dan ga ik maar.’
Mijn gezicht betrekt. ‘Nee, je kunt nog niet weg.’
Ze fronst. ‘Want?’
‘Ik weet je naam niet.’
‘Mijn naam?’ Ze draait zich half van me weg.
‘Ja, voor in mijn vriendenboekje.’
De vrouw trekt een wenkbrauw op. ‘O.’ Haar stem klinkt aarzelend. ‘Goed.’ Ze slikt. ‘Ik heet Claudia.’
Met één hand grabbel ik in mijn tas naar het boekje. Het hengsel valt van mijn schouder. Ik steek de arm met het ijsje uit. ‘Wil je even vasthouden?’ Ik krijg geen reactie. Als ik opkijk zie ik haar nog net in de menigte verdwijnen. Zoals nummer 246 gisteren: Natasja. Haar vond ik ook terug. Ik onthoud het wel, straks schrijf ik het op: Claudia. Nummer 247.


Oooh ik las een eerdere versie van dit verhaal, wat is het heerlijk creepy geworden 🤩