Wat overblijft
Zodra ze de hoek omslaat, ziet Carla een auto, dwars op de weg. Een groep mensen zit geknield op de grond. Zwaailichten kleuren de gevel. Er wordt een brancard uit een ambulance geschoven. Twee verplegers tillen een donkere gedaante op. Langzaam, als in slow motion, lopen ze naar de ambulance. Haar blik valt op het lichaam dat ze tillen. Met een flinke bos krullen. Die krullen ... Haar maag draait om.
Ze stapt van haar fiets. Haar knieën knikken. Ze moet het zeker weten. Ze tuurt over het asfalt. Daar ligt de bevestiging: de rode scooter. Of wat er nog van over is. Het portier van de auto verraadt waar de scooter tot stilstand is gekomen. Omstanders praten op geschrokken toon met elkaar. Ze vangt er flarden van op.
‘Verschrikkelijk.’
‘Zo’n jonge knul nog.’
‘Hij had geen helm op.’
De ambulance rijdt weg, de sirenes snijden door haar hoofd. Haar schouders trekken samen. Haar blik schiet van links naar rechts. Ze moet dit fiksen. Waar zijn de bloemen?
‘Mevrouw,’ ze voelt een hand op haar schouder. ‘Kent u het slachtoffer?’
Ze knikt zachtjes. ‘Jim. Hij ... Hij had ... De ... de bloemen,’ fluistert ze.
‘Daar is niks meer van over, helaas.’ De agent wijst naar de goot. Daar ligt het bosje bloemen, het papier gescheurd.
‘Dank je.’
De agent reikt haar een zakdoekje aan. Dan pas voelt ze dat er tranen over haar wangen lopen. Ze maakt aanstalten op haar fiets te stappen. Ze wil weg.‘Wacht, mevrouw. Kent u het slachtoffer? U weet zijn naam?’
‘Sorry, ik kan niet helpen. Ik was alleen maar zijn kapper.’ Haar gedachten dwalen af naar eerder die middag.
De agent richt zich vervolgens op een andere omstander. ‘U had 112 gebeld, klopt dat?’
Carla veegt haar klamme handen af aan haar jas, haalt diep adem en fietst weg. Het gewone leven wacht op haar. Op naar huis. Naar Lisa.
Thuis probeert ze de beelden van zich af te zetten, maar het lukt niet. Tijdens het eten dwalen haar gedachten steeds af naar Jim. Naar hoe hij een uur geleden nog bruiste van het leven. Ziet voor zich hoe hij naar haar lachte. Zou hij ooit weer zo onbezorgd lachen? Had zij maar nooit ... Simon heeft een heerlijk geurende goulash gekookt, maar ze krijgt geen hap door haar keel. Haar tong ligt als een droge lap in haar mond. Als Lisa haar bord leeg heeft, ruimt Carla de tafel af. Lisa verdwijnt met de tablet naar de woonkamer.
‘Wat is er met je, schat?’ vraagt Simon terwijl hij de borden in de vaatwasser zet.
‘Ik ben moe. Het was een drukke dag.’
‘Kom op, je hebt geen hap gegeten.’ Hij schuift haar eten de vuilnisbak in.
‘Ik zag zojuist een ongeluk. Een jongen met een scooter en een auto. Het zag er ernstig uit.’
‘Och nee.’
‘Het was een klant. Vanmiddag zat hij nog bij me in de stoel.’ Ze pakt een vaatdoekje en de schoonmaakspray.
‘O jee.’
‘Hij zat zo vol leven, weet je? En hoe ze hem in de ambulance tilden ... Het leek wel een zak aardappelen.’
Simon vult een glas water en gaat naast haar staan. Hij slaat zijn arm om haar heen. ‘Wat heftig zeg. Ik kan me voorstellen dat het indruk op je maakt.’
Ze knikt. ‘Hij was zo levenslustig. Ik vraag me steeds af hoe het met hem gaat.’ Ze schudt zich los en begint de tafel te boenen. Ze probeert het beeld kwijt te raken. Van hoe hij op zijn scooter zat en haar stralend aankeek voor hij wegreed.
‘Misschien kan je dat achterhalen?’
‘Ze hebben hem vast naar het Antonius gebracht.’
Simon trekt een wenkbrauw op. ‘Nee, nee, nee. Je gaat er niet naartoe.’
‘Waarom niet? Misschien kan ik iets te weten komen.’
‘Carla, dat kan je niet maken.’ Hij grijpt haar bij haar bovenarmen en kijkt haar beslist aan. ‘Zijn familie heeft het moeilijk.’
Ze slikt haar teleurstelling weg. Simon heeft gelijk. Toch laat het idee haar niet los.
Hij geeft haar een kus. ‘Ga jij maar lekker op de bank hangen. Ik breng Lisa zo wel naar bed.’
Even later zit ze inderdaad op de bank, ze bijt op haar nagels. Voordat Lisa naar bed ging, heeft ze haar nog een dikke knuffel gegeven. Ze is dankbaar dat ze moeder mocht worden. Hoe zou het met de ouders van Jim gaan? Zitten ze in het ziekenhuis, in spanning te wachten? Haar voet wipt op en neer op het laminaat. Als Simon de trap afloopt, staat ze op. ‘Sorry, ik ga nog even een rondje fietsen. Even mijn onrust kwijtraken.’
Ze haalt haar fiets uit de schuur en fiets doelloos rond. Ligt Jim in een bed, omringd door piepende apparaten? Simon heeft gelijk, ze zitten niet op haar te wachten. Toch trekt het ziekenhuis aan haar. Ze neemt een afslag die ze niet van plan was. Nog een bocht. De rotonde. Voor ze het weet, staat ze op de parkeerplaats van het grote gebouw. De ruime hal is fel verlicht, als een baken van hoop. Ze zet haar fiets neer bij de ingang. Alleen maar even informeren. Ze loopt naar binnen en volgt de bordjes naar de intensive care. Bij de deur hangt een bordje naast een bel: Bezoekers hier melden.
Het lijkt eindeloos te duren voor er iemand antwoordt. Moet ze niet toch terug naar huis gaan? Ze hoort gekraak en beseft dat ze moet spreken.
‘Ehh... goedenavond. Ik ben op zoek naar Jim. Hij is eind van de middag binnengebracht na een ongeluk met zijn scooter.’
‘Een momentje.’
De deur gaat open en een slanke verpleegkundige komt naar haar toe. Ze kijkt haar aan over haar leesbril. Carla werpt een blik de gang in. Een jonge vrouw staat bij een frisdrankautomaat.
‘Bent u familie?’ vraagt de verpleegkundige.
Ze schudt haar hoofd ‘Nee, maar ik heb het ongeluk gezien.’
‘Het spijt me, als u geen familie bent, kan ik u niet binnenlaten.’
‘Ik snap het..’ Haar schouders zakken. ‘Natuurlijk niet.’
‘Wel kan ik uw gegevens noteren. Dan kan de familie contact met u opnemen.’
‘Nee, laat maar. Bedankt.’ Ze draait zich om en hoort de deur in het slot vallen. Besluiteloos kijkt ze om zich heen. Waarom is het altijd zo warm in ziekenhuizen? Ze haalt diep adem en heeft meteen spijt. De geur van desinfectiemiddel prikt in haar neus.
‘Mevrouw?’
Ze kijkt om.
‘Kent u Jim?’ vraagt de jonge vrouw. ‘Ik hoorde u net praten met de verpleegkundige.’
Carla knikt. ‘Ik was bij het ongeluk.’
De vrouw hapt naar adem. ‘Wacht, dan haal ik mijn moeder. We willen weten wat er gebeurd is.’
Carla laat zich op een bankje in de wachtruimte zakken. Het zweet breekt haar uit. Wat doet ze hier? Wat moet ze de familie van Jim vertellen? Nee, Simon had gelijk. Ze kan hen niet onder ogen komen. Snel staat ze op.
‘Mevrouw?’
Ze draait zich om en kijkt in de betraande ogen van een vrouw. Ze schat haar iets ouder dan zichzelf. Carla legt haar hand op haar borst. Onwillekeurig gaan haar gedachten naar Lisa. Ze friemelt aan het hangertje van haar ketting: een hartje. Ze kreeg het van Simon op haar eerste moederdag. Ze concentreert zich op haar ademhaling. Dan herpakt ze zich en geeft de vrouw een hand.
‘Hallo, ik ben Carla. Hoe gaat het met uw zoon?’
‘Hij heeft een schedelbasisfractuur. Ze houden hem in slaap. We moeten afwachten.’
De vrouw begint te huilen. Haar dochter neemt het over.
‘U heeft gezien wat er is gebeurd?’
‘Nou ja …’ Langzaam komen de woorden bij haar binnen.
‘Vertel ons wat u weet. Alstublieft. Hoe is het gegaan? Heeft hij nog iets gezegd?’
Carla voelt het rood in haar hals opkruipen. Haar hartslag versnelt. Een schedelbasisfractuur. ‘Het spijt me.’
‘Wat? U kunt ons toch wel iets vertellen?’ Jims moeder pakt een zakdoekje uit haar broekzak.
‘Het ... Het spijt me.’ Ze slikt. ‘Het is allemaal mijn schuld.’ Ze keert zich om en loopt de gang in. Ze moet weg. Ze had naar Simon moeten luisteren. Waarom is ze toch ook zo eigenwijs? Waar is de uitgang nou? Ze slaat willekeurige gangen in tot ze de grote hal ziet. Niet veel later staat ze buiten. Ze zuigt de frisse lucht op.
Ze zoekt in haar jaszak naar haar sleutel als ze achter zich hoort: ‘Waarom denkt u dat het uw schuld is? De automobilist was een man.’
De zus van Jim is haar gevolgd. Carla laat zich zakken op het bankje naast de ingang en slaat haar handen voor haar gezicht. Alles trekt opnieuw aan haar voorbij. Ze ziet in gedachten Jim haar zaak binnenkomen, met een bosje gerbera’s in de hand. Haar lievelingsbloemen.
‘Hij zat vanmiddag bij me in de kappersstoel. Hij had een date, vertelde hij. Na de knipbeurt zou hij haar ophalen.’
‘Ja, ze zouden bij de Mc Donalds eten en daarna naar de bioscoop gaan, dat vertelde hij me. Maar wat heeft dat met u te maken?’
‘Hij vroeg me advies. Hij wilde indruk op haar maken.’ Carla kijkt op naar het meisje. Carla’s handen trillen als ze verder praat.
‘Hij had zelfs een bosje bloemen voor haar gekocht. Het was zo aandoenlijk.’ Carla gaat verzitten. Haar knie wipt op en neer. Ze moet met de billen bloot.
‘Hij was mijn laatste klant, dus we liepen samen de deur uit. Toen hij zijn helm pakte, zei ik: ‘Nee joh, dat plet je krullen enorm. Niet zo cool bij een eerste date.’ Ze pulkt aan haar nagelriemen. ‘Hij ruimde zijn helm weer op onder de zitting en reed weg. Hij zwaaide naar me. Ik vond het een prachtig gezicht, hoe de wind door zijn lokken waaide. Zo’n haarbos, daarom ben ik krullenkapper geworden.’ Ze haalt diep adem. ‘Het spijt me enorm. Ik had dat nooit moeten zeggen.’
De zware stilte die volgt, wordt onderbroken door een snik achter haar. Carla kijkt op, de moeder van Jim gaat naast haar zitten en trekt haar dochter tegen zich aan. Ze slikt haar tranen weg voor ze zegt: ‘Jim doet altijd precies wat hij zelf wil. Het was zijn keuze. Niet die van jou.’
De zus van Jim vult met zachte stem aan: ‘Jim draagt zijn helm wel vaker niet. Ik heb hem zo vaak gewaarschuwd.’ Ze slikt. ‘Stom, hè?’
Zo blijven ze een tijdje zitten. Misschien hebben ze gelijk en had hij sowieso zijn helm niet opgezet. Toch zou ze willen dat ze haar opmerkingen ongedaan kon maken. De stilte wordt verbroken door de kerkklok. Carla staat op.
‘Ik moet gaan. Wil je me op de hoogte houden van het verdere verloop?’ Ze geeft haar nummer, de zus van Jim slaat het op in haar telefoon. Dan knikt ze, ter afscheid.
‘Heel veel sterkte.’
Thuis aangekomen loopt ze meteen naar de slaapkamer van Lisa. Daar ligt haar dochter, heerlijk ontspannen te slapen in haar eigen bed. Haar maag trekt samen. Zou Jim ooit nog zo in zijn eigen bed liggen? Voorzichtig drukt Carla een kus op het voorhoofd van het meisje en strijkt een krul uit haar gezicht.
‘Ons lieve prinsesje,’ klinkt de stem van Simon. Hij slaat zijn arm om haar heen. ‘Kom, ik heb thee voor je gezet.’


Poeh, indrukwekkend ☆☆☆☆☆
Indrukwekkend boeiend verhaal.
Groeten Joop Bolt